Handreikingen voor de praktijk
IV.3d. Het taalveld van de Mensenrechten
Vorige paragraaf Volgende paragraaf
Een studie naar empowerment van orthodoxe moslimvrouwen
Saba Mahmood (professor sociaal-culturele antropologie) deed een invloedrijk onderzoek naar empowerment van vrome islamitische vrouwen in Egypte. In deze studie laat zij zien hoe vrome moslimvrouwen uit een middenklassenwijk in Caïro de islam een plaats geven in hun dagelijkse leven. De tradities uit de islam, de Koran en het voorbeeld van de Profeet zijn belangrijk voor hen. Tegelijkertijd gaan ze met de moderne tijd mee. Mahmood laat deze vrome vrouwen in haar onderzoek als het ware reageren op degenen die hen beschouwen als onderdrukt. Op die manier probeert ze een gangbaar perspectief te kantelen: geen oordeel óver deze vrouwen, maar de beleving van hen zélf.
In plaats van het geijkte beeld van onderdrukking wordt de capaciteit van deze vrouwen zichtbaar: zij handelen bewust, zijn individuen in hun sociale omgeving. De Westers-liberale opvatting over emancipatie is in wezen normatief, stelt Mahmood. [15]
De Amerikaanse onderzoekers Dalia Mogamed en John Esposito laten zien dat veel moslimvrouwen hun geloof en hun rechten koesteren. Zij concluderen op basis van een grootschalig onderzoek dat moslimvrouwen bepaalde aspecten van het Westen bewonderen, maar dat ze westerse waarden niet volledig willen overnemen. De meerderheid van de ondervraagde moslimvrouwen vindt niet gender de meest urgentie kwestie, maar eerder politieke en economische ontwikkeling. Mogamed en Esposito wijzen erop dat het vaak argwaan oproept als westerlingen opkomen voor vrouwenrechten. Dit heeft onder meer te maken met de associatie met kolonialisme en Westers imperialisme. [16]
Mogamed en Esposito menen dat het "strategisch gezien een gevaar [is] als je vrouwenrechten in de moslimwereld beschouwt als een strijd tussen de islam en westerse emancipatoire opvattingen over gelijkwaardigheid. De vrouwen en de mensen die hen steunen, staan op die manier machteloos en het maakt de mensen die tegen vrouwenrechten zijn, omdat ze zich verzetten tegen de westerse hegemonie, alleen maar machtiger. Voor veel moslimvrouwen is er geen sprake van een tegenstelling tussen het geloof dat ze koesteren en de rechten die ze zouden moeten hebben. De islam wordt gezien als essentieel voor vooruitgang en helemaal niet als een obstakel voor dit proces. Daarom zou bij elk streven naar meer gelijkheid tussen de seksen gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande, cultuureigen en religieuze kaders die vrouwen de gewenste rechten toekennen, in plaats van deze te elimineren." [17]
De auteurs bevelen aan: "Wil je moslimvrouwen helpen om hun situatie te verbeteren, dan is de eerste stap dat je vraagtekens zet bij de vooronderstelling dat de religieuze leer de belangrijkste oorzaak is van de strijd die vrouwen maatschappelijk gezien moeten leveren." Zij betogen dat "we moeten inzien dat de islam een traditie van seksegelijkheid heeft." En: "We moeten oog hebben voor de nuances binnen de islamitische wetgeving en de verschillende discussies die binnen de islam worden gevoerd." [18]
De cruciale pijler van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Dit uitgangspunt is van groot belang. De universaliteit van de mensenrechten is één van de steunpilaren waardoor mensen in de mondiale samenleving zich met elkaar verbonden weten en kunnen strijden voor de rechten van ieder mens. Zij kunnen erop rekenen dat er voor hun rechten gestreden wordt, hoe de politieke situatie in een land ook is. Met deze verklaring als uitgangspunt maakt het niet uit welke achtergrond of afkomst mensen hebben, integendeel.
In 1948 werd de Mensenrechtenverklaring geformuleerd na gesprekken met afgevaardigden van alle wereldreligies. Mensen vanuit elke religie zouden zich hierop moeten kunnen beroepen.
De laatste jaren lijken vooral autoritaire politieke regimes en fundamentalistische religieuze bewegingen de universele mensenrechten steeds vaker te beschouwen als westerse ‘uitvinding'. In de ogen van bijvoorbeeld hindoeïstisch-nationalistische bewegingen in India, evangelische groeperingen in Latijns-Amerika en Afrika en islamisten in moslimlanden is de verklaring een instrument van het imperialistische, anti-religieuze Westen.
Als Nederlandse ontwikkelingsprofessional kun je in gesprek met een partnerorganisatie te maken krijgen met andere opvattingen over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De eerste vraag is: hoe ga je om met kritiek hierop?
Religie en homoseksualiteit
Homoseksualiteit en religie is een lastige combinatie, zo blijkt uit de praktijk van internationale samenwerking. Tussen Nederlandse en Afrikaanse organisaties heerst niet zelden een diepe kloof rondom dit thema. In het onderstaande verslag van een expertmeeting van ICCO en Kerk in Actie, Exploring steppingstones for a dialogue on homosexuality, lees je welke obstakels je tegen kunt komen. [1]
"It's Adam and Eve, not Adam and Steve!" roept de vrouwelijke dominee uit Zuid-Afrika terwijl ze met haar hand op de Bijbel slaat. In een klein toneelstukje zet ze de pijn, de ontkenning en de stilte neer, die heersen rondom de schijnbaar onoplosbare tegenstelling tussen homoseksualiteit en religie. En zeker niet alleen in Afrika. Ook in Nederland wordt nog altijd gesproken over homoseksualiteit, zowel binnen de kerken als in de politiek. Maar niet vaak gaan gelovigen en homoseksuelen met elkáár in gesprek.
Dat gebeurde wel in juni 2008, toen de tien Nederlandse en tien Afrikaanse deelnemers probeerden elkaar te verstaan, zonder te belanden in een loopgravenoorlog vanuit het eigen gelijk. Ze vertegenwoordigden zeer uiteenlopende achtergronden en gezichtspunten, waaronder die van kerken en christelijke organisaties, maar deelden een gezamenlijke visie van een wereld waar iedereen in vrede, veiligheid en gelijkheid kan leven.
Het was een inspirerende en ontroerende bijeenkomst, gekenmerkt door openheid en een enorme drang om te zoeken naar verbindingen. Persoonlijke reflecties en diepgaande analyses wisselden elkaar af. De belangrijkste conclusie was dat we moeten zoeken naar verbinding tussen uiteenlopende benaderingen: religieuze, culturele, rechterlijke. En dat de dialoog altijd moet plaatsvinden met oog voor de culturele en religieuze context. Dit vraagt van alle partijen de erkenning dat geen van beide de waarheid in pacht heeft en dat ze van elkaar kunnen leren.
Gezamenlijke bijbelstudie bleek een goede basis voor dialoog, vanuit een gedeeld taalgebruik. De directeur van Inclusive and Affirming Ministries, Pieter Oberholzer, las voor uit Mattheüs 5:22, waarin Jezus mensen oproept elkaar geen etiketten op te plakken. Tijdens het gesprek, en de verdere drie dagen die de bijeenkomst duurde, zag je het gebeuren: de bijeenkomst werd een oefening in medemenselijkheid.
Het zien van de ander als mens, het stoppen met dehumaniseren van de ander, bleek een eerste aanknopingspunt voor dialoog. "We are all created in God's image", was een Genesistekst die alle deelnemers verbond. Dit bood de kans op een dialoog waarin mensen elkaar als mensen zien, zowel degenen die homoseksualiteit zien als geschapen door God als degenen die dat niet zo zien. Deelnemers met de meest verschillende opvattingen luisterden echt naar elkaar. Iedereen vroeg zich af: zie ik jou werkelijk als mens, hoe oneens ik het ook met je ben? De bijeenkomst was hierdoor een confronterende én een bevrijdende ervaring.
In de praktijk is dat een hele opgave. Zo verzetten Anglicaanse kerkleiders in Oost- en West-Afrika zich sterk tegen homoseksualiteit, tot een mogelijke internationale kerkscheuring aan toe. Tegelijkertijd is er het leven van alledag. In het ene land wordt homoseksualiteit getolereerd, maar in vele Afrikaanse landen is homoseksualiteit strafbaar. In vier landen staat er zelfs de doodstraf op. Politieke en religieuze leiders bestrijden homoseksualiteit met kracht. Eén van de deelnemers, een jonge onderzoeker uit Zimbabwe, vroeg: "Er zijn in Zimbabwe maar 500 mensen aangesloten bij de homobeweging en zij worden voortdurend lastig gevallen en bedreigd. Waarom steekt de regering zoveel tijd en geld in 500 mensen, terwijl de problemen zo groot zijn? Wat is dat toch?"
"Ik voel dat ik mijn schillen moet afleggen", zei een deelnemer uit Afrika na afloop. "Maar wij moeten onze eigen weg hierin kiezen. De confrontatie aangaan werkt niet, hameren op mensenrechten werkt averechts. Dat leidt alleen maar tot nog meer scheuring. Wij moeten beginnen met een pastorale benadering. Mensen zien en hun problemen erkennen. Alleen als ik het op die manier aanpak kan er van binnenuit en heel geleidelijk iets veranderen."
Zo werden wezenlijke vragen gesteld over de manier waarop noordelijke organisaties hun mensenrechtenbeleid vorm geven. "Als je de taal van de mensenrechten niet koppelt aan de religieuze beleving van veel Afrikanen, dan blijft het iets westers, iets van buiten, waardoor het verloren gaat."
Een Afrikaanse kerkleider zei tot slot: "Ik heb hier zoveel gekregen dat ik mee kan nemen naar de Anglicaanse wereldconferentie, dat ik daar het gesprek aan durf te gaan."
De deelnemers uit Afrika geven nu zelf vorm aan de voortgaande dialoog in Afrika. ICCO & Kerk in Actie ondersteunen hun onderzoeken en ontmoetingen. Er zijn inmiddels bijeenkomsten georganiseerd in Namibië en Zuid-Afrika. Ook is een onderzoek in Zimbabwe gefinancierd. Want daarover was iedereen het eens: Afrikaans onderzoek en een Afrikaanse dialoog in Afrika is hard nodig.
Welke keuze maak bij het samenwerken met een partnerorganisatie? Kies je voor een gematigde, maar gemarginaliseerde religieuze stroming? Of kies je voor een religieuze stroming die breed gedragen wordt door de gemeenschap, maar minder goed aansluit bij je eigen normen en waarden of die van jouw organisatie? Uit bovenstaand verslag wordt duidelijk dat een religieus-empathische benadering belangrijk is voor het samenwerken met je partner. Alleen dan kun je van elkaar begrijpen hoe je aankijkt tegen bepaalde zaken.
In dit hoofdstuk gaan we in op de voor- en nadelen van het samenwerken met fbo's. Voor een vruchtbare dialoog met deze organisaties is het van belang dat je empathie ontwikkelt voor de religieuze ideeën van de partner. Deze empathie moet gelden voor de positieve én de negatieve rol die religie kan spelen. Aan het eind van dit hoofdstuk bespreken we daarom vier taalvelden die aan de orde kunnen komen bij gesprekken met je partner; het herkennen van de taalvelden helpt om te voorkomen dat je te sterk reageert op bepaalde religieus of ideologisch geladen woorden.
Door naar Hoofdstuk IV.1. Partnerschap met fbo
Hieronder enkele adviezen uit de praktijk:
- Verwijs naar de wortels van de Verklaring van de Rechten van de Mens. Deze zijn niet geformuleerd als westers idee, maar juist vanuit de gedachte dat mensen wereldwijd met elkaar moeten kunnen samenleven.
- Schiet niet in de verdediging, praat rustig en kies weloverwogen je woorden.
- Versterk in het debat niet het gevoel van de opponent dat ‘het Westen' zich - met een beroep op de Mensenrechtenverklaring - superieur voelt aan de rest van de wereld.
- Zie mensenrechten als universeel, maar niet als uniform. [19]
- Volg de ‘procesbenadering'. Hierin worden de mensenrechten opgevat als de uitkomst van een dialoog tussen partijen.
- Ga niet mee in een (cultuur)relativistische benadering die onderdrukkende (religieuze) ideeën en praktijken vergoelijkt.
- Laat een dogmatische benadering van de mensenrechten los. [20]
In het voorbeeld over de rechten van homoseksuelen wordt als oplossing gesuggereerd: "Als je de taal van de mensenrechten niet koppelt aan de religieuze beleving van veel Afrikanen, dan blijft het iets westers, iets van buiten, waardoor het verloren gaat."
De derde vraag is hoe je kunt zoeken naar een nieuw verhaal, zonder dat je de uitgangspunten van de mensenrechten loslaat.
"In het verleden hebben we vooral gekeken met de bril van mensenrechten. Of het christelijke of islamitische mensen waren, maakte niet uit. We keken naar alle arme, gemarginaliseerde mensen met dezelfde bril. Vaak richtten we ons daarbij op de staat: welke verantwoordelijkheden heeft de staat en welke rechten hebben burgers? Inmiddels vragen we ons af of die focus op de staat en wetten wel goed werkt. We hebben hier samen met de partners vele jaren aandacht aan besteed. De wetten zijn er deels wel, maar in de praktijk verandert er niet zoveel. De vraag is dus: wat moet je dan wel? Op welke manier mobiliseer je mensen? De bril van mensenrechten voldoet kennelijk niet. In het Hivos-kennisprogramma in India werken we aan een andere benadering met groepen die zichzelf als ´religieus´ identificeren. Het gesprek gaat over wat de basis is van de normen en waarden en van het vermogen om mensen te mobiliseren voor verbetering van hun eigen levensomstandigheden."
(Hivos-medewerker)
DISCUSSIEVRAGEN
- Heb je weleens in de situatie gezeten dat jouw gesprekspartner de universele mensenrechten opvatte als een dominant 'westers discours' of een 'westerse taal'? Zo ja, wat dacht of deed je toen? En begrijp je waarom je samenwerkingspartner zo reageerde?
De manier waarop je een dialoog voert, letterlijk de woorden die je gebruikt, is van belang in ontwikkelingssamenwerking. Ook de status van degene met wie je spreekt, beïnvloedt in veel gevallen het gesprek. Denk hierbij aan zaken als functie, gezag, ervaring, gender, culturele en religieuze achtergrond. Hieronder gaan we in op de invloed van de taal die je hanteert.
In een dialoog neemt de ontwikkelingsprofessional vaak een complexe positie in. Hij moet de posities inschatten van de belanghebbenden (stakeholders) in het politieke, maatschappelijke, culturele én religieuze veld. Hij dient zich ook bewust te zijn van de ‘symbolische taalvelden' in een dialoog. Het symbolische taalveld van de (gespreks)partner(s) kan immers anders zijn dan dat van jou. Het is daarom van belang dat je probeert elkaars symbolentaal te begrijpen. Dit helpt om te voorkomen dat je te sterk reageert op bepaalde religieus of ideologisch geladen woorden.
We beschrijven vier symbolische ‘taalvelden'. In de praktijk worden deze door elkaar heen gebruikt:
Aan het einde van elke tekst over een taalveld sluiten we af met een of meer discussievragen.
Door naar Hoofdstuk IV.3a. Het taalveld van de Gedeelde Traditie
Reacties
- Geen reacties gevonden

Geef uw reactie