Handreikingen voor de praktijk
IV.1a. Partnerschap met kerken?
Vorige paragraaf Volgende paragraaf
Protestantse hulp alleen voor protestanten?
In een publicatie van de Uppsala Universiteit presenteert de Zweedse onderzoeker Niklas Bengtsson zijn onderzoek naar ontwikkelingsprojecten in de Tanzaniaanse regio Kagera. Deze worden op dorpsniveau uitgevoerd door de Evangelisch-Lutherse Kerk van Tanzania. De projecten worden deels gefinancierd door ontwikkelingsorganisaties uit de Verenigde Staten en Europa.
Doel van de projecten is het verbeteren van de alfabetisering en het basisonderwijs. Het onderzoek neemt deze organisaties als voorbeeld om te kijken in hoeverre christelijke hulporganisaties over hun eigen grenzen heen reiken. De conclusie is teleurstellend: de alfabetisering van de bevolking blijkt gestegen te zijn met 15-20%, deelname aan het basisonderwijs met 10-15%. Maar deze resultaten gelden alleen bij de protestantse kinderen. De katholieke kinderen uit de regio zijn nauwelijks bereikt met de programma's. [2]
Religie en homoseksualiteit
Homoseksualiteit en religie is een lastige combinatie, zo blijkt uit de praktijk van internationale samenwerking. Tussen Nederlandse en Afrikaanse organisaties heerst niet zelden een diepe kloof rondom dit thema. In het onderstaande verslag van een expertmeeting van ICCO en Kerk in Actie, Exploring steppingstones for a dialogue on homosexuality, lees je welke obstakels je tegen kunt komen. [1]
"It's Adam and Eve, not Adam and Steve!" roept de vrouwelijke dominee uit Zuid-Afrika terwijl ze met haar hand op de Bijbel slaat. In een klein toneelstukje zet ze de pijn, de ontkenning en de stilte neer, die heersen rondom de schijnbaar onoplosbare tegenstelling tussen homoseksualiteit en religie. En zeker niet alleen in Afrika. Ook in Nederland wordt nog altijd gesproken over homoseksualiteit, zowel binnen de kerken als in de politiek. Maar niet vaak gaan gelovigen en homoseksuelen met elkáár in gesprek.
Dat gebeurde wel in juni 2008, toen de tien Nederlandse en tien Afrikaanse deelnemers probeerden elkaar te verstaan, zonder te belanden in een loopgravenoorlog vanuit het eigen gelijk. Ze vertegenwoordigden zeer uiteenlopende achtergronden en gezichtspunten, waaronder die van kerken en christelijke organisaties, maar deelden een gezamenlijke visie van een wereld waar iedereen in vrede, veiligheid en gelijkheid kan leven.
Het was een inspirerende en ontroerende bijeenkomst, gekenmerkt door openheid en een enorme drang om te zoeken naar verbindingen. Persoonlijke reflecties en diepgaande analyses wisselden elkaar af. De belangrijkste conclusie was dat we moeten zoeken naar verbinding tussen uiteenlopende benaderingen: religieuze, culturele, rechterlijke. En dat de dialoog altijd moet plaatsvinden met oog voor de culturele en religieuze context. Dit vraagt van alle partijen de erkenning dat geen van beide de waarheid in pacht heeft en dat ze van elkaar kunnen leren.
Gezamenlijke bijbelstudie bleek een goede basis voor dialoog, vanuit een gedeeld taalgebruik. De directeur van Inclusive and Affirming Ministries, Pieter Oberholzer, las voor uit Mattheüs 5:22, waarin Jezus mensen oproept elkaar geen etiketten op te plakken. Tijdens het gesprek, en de verdere drie dagen die de bijeenkomst duurde, zag je het gebeuren: de bijeenkomst werd een oefening in medemenselijkheid.
Het zien van de ander als mens, het stoppen met dehumaniseren van de ander, bleek een eerste aanknopingspunt voor dialoog. "We are all created in God's image", was een Genesistekst die alle deelnemers verbond. Dit bood de kans op een dialoog waarin mensen elkaar als mensen zien, zowel degenen die homoseksualiteit zien als geschapen door God als degenen die dat niet zo zien. Deelnemers met de meest verschillende opvattingen luisterden echt naar elkaar. Iedereen vroeg zich af: zie ik jou werkelijk als mens, hoe oneens ik het ook met je ben? De bijeenkomst was hierdoor een confronterende én een bevrijdende ervaring.
In de praktijk is dat een hele opgave. Zo verzetten Anglicaanse kerkleiders in Oost- en West-Afrika zich sterk tegen homoseksualiteit, tot een mogelijke internationale kerkscheuring aan toe. Tegelijkertijd is er het leven van alledag. In het ene land wordt homoseksualiteit getolereerd, maar in vele Afrikaanse landen is homoseksualiteit strafbaar. In vier landen staat er zelfs de doodstraf op. Politieke en religieuze leiders bestrijden homoseksualiteit met kracht. Eén van de deelnemers, een jonge onderzoeker uit Zimbabwe, vroeg: "Er zijn in Zimbabwe maar 500 mensen aangesloten bij de homobeweging en zij worden voortdurend lastig gevallen en bedreigd. Waarom steekt de regering zoveel tijd en geld in 500 mensen, terwijl de problemen zo groot zijn? Wat is dat toch?"
"Ik voel dat ik mijn schillen moet afleggen", zei een deelnemer uit Afrika na afloop. "Maar wij moeten onze eigen weg hierin kiezen. De confrontatie aangaan werkt niet, hameren op mensenrechten werkt averechts. Dat leidt alleen maar tot nog meer scheuring. Wij moeten beginnen met een pastorale benadering. Mensen zien en hun problemen erkennen. Alleen als ik het op die manier aanpak kan er van binnenuit en heel geleidelijk iets veranderen."
Zo werden wezenlijke vragen gesteld over de manier waarop noordelijke organisaties hun mensenrechtenbeleid vorm geven. "Als je de taal van de mensenrechten niet koppelt aan de religieuze beleving van veel Afrikanen, dan blijft het iets westers, iets van buiten, waardoor het verloren gaat."
Een Afrikaanse kerkleider zei tot slot: "Ik heb hier zoveel gekregen dat ik mee kan nemen naar de Anglicaanse wereldconferentie, dat ik daar het gesprek aan durf te gaan."
De deelnemers uit Afrika geven nu zelf vorm aan de voortgaande dialoog in Afrika. ICCO & Kerk in Actie ondersteunen hun onderzoeken en ontmoetingen. Er zijn inmiddels bijeenkomsten georganiseerd in Namibië en Zuid-Afrika. Ook is een onderzoek in Zimbabwe gefinancierd. Want daarover was iedereen het eens: Afrikaans onderzoek en een Afrikaanse dialoog in Afrika is hard nodig.
"Een enorm voordeel van kerken, met name in Afrika, vind ik het simpele feit dat ze een van de meest duurzame vormen van de civil society zijn. Ze blijven namelijk bestaan, ongeacht de donorgelden. Seculiere ngo's komen zwaar in de problemen als de financiering wegvalt, soms gaan ze zelfs ten onder. Maar kerken weten mensen zo ver te krijgen dat ze doneren. Ze weten zelfs de minst gefortuneerde bevolking over te halen om geld te geven."
(Oxfam Novib-medewerker)Welke keuze maak bij het samenwerken met een partnerorganisatie? Kies je voor een gematigde, maar gemarginaliseerde religieuze stroming? Of kies je voor een religieuze stroming die breed gedragen wordt door de gemeenschap, maar minder goed aansluit bij je eigen normen en waarden of die van jouw organisatie? Uit bovenstaand verslag wordt duidelijk dat een religieus-empathische benadering belangrijk is voor het samenwerken met je partner. Alleen dan kun je van elkaar begrijpen hoe je aankijkt tegen bepaalde zaken.
In dit hoofdstuk gaan we in op de voor- en nadelen van het samenwerken met fbo's. Voor een vruchtbare dialoog met deze organisaties is het van belang dat je empathie ontwikkelt voor de religieuze ideeën van de partner. Deze empathie moet gelden voor de positieve én de negatieve rol die religie kan spelen. Aan het eind van dit hoofdstuk bespreken we daarom vier taalvelden die aan de orde kunnen komen bij gesprekken met je partner; het herkennen van de taalvelden helpt om te voorkomen dat je te sterk reageert op bepaalde religieus of ideologisch geladen woorden.
Door naar Hoofdstuk IV.1. Partnerschap met fbo
"In 2006 was ik in Azië bij onze partnerconferentie van het programma Democratie en Vredesopbouw. Toen ik onze partners daar bij elkaar zag, dacht ik: die zijn allemaal geselecteerd zodat wij er gezellig bier mee kunnen drinken. Maar wat stellen deze geseculariseerde moslims voor in deze samenleving? Zijn zij representatief? Ik heb daar geen antwoord op, maar het zijn wel belangrijke vragen. Onze partners sluiten goed aan bij ónze organisatie en medewerkers, maar waarschijnlijk niet bij de doelgroepen in hún samenleving.
Het proces van partnerkeuze is volgens mij vrij ondoorzichtig. Eigenlijk is het cruciaal om vooraf te bedenken wat we willen met een partner en wie of wat hij moet vertegenwoordigen. Op die conferentie was maar één praktiserende moslim aanwezig, de anderen waren seculier. Terwijl seculiere moslims in dat land nauwelijks voorkomen.
Een ander voorbeeld is dat van de African Independent Churches. Wij hebben daar jarenlang niets mee gedaan, maar zij zijn in Oost-Afrika heel belangrijk. Een groot deel van de bevolking gaat naar zo'n kerk. Die kerken doen dingen die wij misschien minder leuk vinden, zoals duiveluitdrijving. Dat neemt niet weg dat we ons moeten afvragen hoe wij ons moeten opstellen. Ik heb in dat soort kerken bizarre dingen meegemaakt, maar de helft van het dorp deed er wel aan mee. Sluiten we aan bij wat de mensen daar belangrijk vinden? Of vertellen we hen wat wij zelf leuk vinden en waarderen? De afweging is lastig, maar je moet er wel iets mee."
(ICCO-medewerker)
Of Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zich nu bezighouden met noodhulp, dienstverlening, gemeenschapsopbouw, vredesopbouw of democratisering, een van de centrale vragen luidt: met wie werken we samen? Wiens projecten ondersteunen we wel en wiens projecten niet?
Er bestaat geen eenduidig antwoord op de vraag of fbo's in het Zuiden geschikte partnerorganisaties zijn. Zij zijn er immers in alle soorten en maten. Ze variëren in doelstellingen, professionaliteit, maar ook in draagvlak bij de doelgroepen.
Reacties
- Geen reacties gevonden

Geef uw reactie