Handreikingen voor de praktijk

II.2 Werkdefinitie van religie

Vorige paragraaf                                                             Volgende paragraaf

More

Bovenstaande dialoog laat zien hoe twee Nederlandse ontwikkelingsprofessionals kunnen verschillen in hun visie op religie en spiritualiteit in een samenleving. Waar de een betoogt dat spiritualiteit een rol speelt in alle lagen en facetten van de samenleving, denkt de ander dat dit afhankelijk is van plaats en context waarin wordt (samen)gewerkt. Als we aan hen zouden vragen hoe zij religie en spiritualiteit zouden definiëren, zouden ze waarschijnlijk twee verschillende antwoorden geven.

Door naar Hoofdstuk II.1. Een definitie van religie?

Om toch een hanteerbaar handvat te hebben voor religie presenteren we hier het onderscheid dat Gerrie ter Haar (hoogleraar religie, mensenrechten en sociale verandering aan het Institute of Social Studies, Den Haag) en Stephen Ellis (senior onderzoeker bij het Afrikaans Studiecentrum Leiden) maken in vier religious resources, te weten religieuze ideeën, religieuze praktijken, religieuze organisaties en religieuze (of spirituele) ervaringen: [3]

  • Religieuze ideeën: de visies op de kosmos, de wereld, het leven, de natuur, het kwaad, het heilige, tot en met de deugden en waarden die richtinggevend zijn voor het handelen. Deze visies, deugden en waarden zijn verwoord in verhalen. In veel gevallen liggen ze bovendien vast in leerstellingen en regels.

  • Religieuze praktijken: de handelingen, gewoonten, plaatsen en voorwerpen die de zienlijke met de onzienlijke werkelijkheid verbinden.

  • Religieuze organisaties: de religieuze bewegingen, gemeenschappen en organisaties, hun (eventuele) leiders en de netwerken waarin zij samenwerken.

  • Religieuze ervaringen: de ervaringen van mensen in relatie tot het transcendente. Het transcendente is hier een verzamelterm voor bijvoorbeeld het ultieme, het goddelijke, geesten, voorouders en goden. Religieuze ervaringen kunnen aan de basis staan van transformaties, individueel en collectief.

Deze vier zogenaamde religious resources gebruiken we in dit boek als werkdefinitie. Ter Haar en Ellis ontwikkelden deze werkdefinitie in een Afrikaanse context. In iedere lokale context en tijd kunnen de vier aspecten zich weer anders verhouden ten opzichte van elkaar.

Door naar Hoofdstuk II.2a. De werkdefinitie in de praktijk: denken, doen, samen doen, ervaren

Reacties

  • Geen reacties gevonden

    Geef uw reactie


     




    * Verplichte velden